De jongen in het ziekenhuis

Hospitalparking3Als ik in Nederland in een ziekenhuis ben, verbaas ik me altijd over hoe weinig er eigenlijk gebeurt.

Ik verwacht rennende mensen met betraande gezichten die hun geliefde vaarwel komen zeggen, ik verwacht bloedende wonden en asymmetrische breuken, maar in Nederlandse ziekenhuizen wordt de pijn achter gesloten deuren weggenomen. En in de smetteloze wandelgangen van de hospitalen rechten we onze ruggen alsof we gezond zijn als ooit tevoren.

Hier in het buitenland mag de pijn er zijn. Ik zit in de wachtkamer van het lokale hospitaal en de ene na de andere kreupele komt binnen. Er arriveert een man, die op mijn vader lijkt, met zijn been tot aan zijn kruis in het gips. Naast me zit een man met twee gebroken vingers die onder het bloed zitten. Even later komt er een man binnenlopen met een gat in zijn wang, het bloed sijpelt langs zijn nek naar beneden. Een jongen komt met een infuus om zijn schouder geslagen langslopen. Ik zit onderuitgezakt op de metalen stoel naar de mensen te kijken. Mijn nog door de zon onaangetaste huid verraadt dat ik niet van hier ben. De mensen kijken ook naar me, lachen en wachten weer verder. Zouden ze weten dat het in Nederland allemaal veel efficiënter gaat, veel sneller?

Ergens aan de andere kant van de ruimte heeft iemand op de grond gespuugd. Een medewerker van het ziekenhuis komt met een dweil en een emmer. Een paar seconden later is het alsof het niet gebeurd is.

Twee meisjes en een jongen komen binnen. Ik schat dat ze rond de 23 zijn. Ik kijk altijd eerst naar meisjes, vrouwen, ik weet niet waarom. Misschien is het die onbewuste concurrentiestrijd die vrouwen met elkaar aangaan. Misschien omdat ik zelf ook een vrouw ben en vrouwen per definitie beter vergelijkingsmateriaal zijn dan mannen. Het ene meisje is klein en heeft brede heupen en korte benen, ze draagt haar steile haar in een middelhoge paardenstaart en ze heeft een snor. Een flinke. Het andere meisje is een stuk langer en slanker, ook zij draagt haar steile haar in een iets lagere paardenstaart. Ze heeft een grote neus met een bochel erin. Beide hebben zich meester gemaakt in de kunst van het wenkbrauwen tekenen. De inktzwarte bogen die de poorten voor hun ogen vormen zijn in ieder geval niet ingevuld door beharing. Wat de kleine vrouw te veel heeft op haar bovenlip heeft ze te weinig op haar wenkbrauw. Ik denk niet dat ze zusjes zijn, misschien vriendinnen. Ik verplaats mijn blik naar de jongen die bij hen staat. Hij is ook lang, misschien de broer van het lange meisje. Hij is niet opvallend, maar als ik zijn gezicht beter bekijk, heeft hij iets rustgevends. Zijn blik is bedachtzaam en kalm. Hij heeft een grote mond met volle lippen die niet bewegen, omdat hij niet deelneemt aan het gesprek dat de twee meisjes voeren. Kennelijk is het onderwerp voor hem niet relevant want kijkt als een roofvogel de wachtkamer rond; zonder zijn hoofd te bewegen observeren zijn ogen de situatie in de wachtkamer.

En dan ziet hij mij. Hij weet niet dat ik, bij de eerste ontmoeting van onze ogen, al een heel verhaal heb bedacht bij zijn leven en dat van de twee meisjes naast hem. Zijn blik blijft langer op mij rusten dan ik wil. Als je 23 bent en een leuke jongen kijkt naar je dan krijgt je zelfvertrouwen een boost door de onverwachte flirt, maar als je 32 bent is dat toch anders. Dan kijk je om of de starende blik misschien ten gunste is van de persoon die achter je zit. Of er is iets mis met je outfit; je bent een knoopje vergeten, je gulp staat open, je vest zit binnenstebuiten, de cup van je bh is gekanteld waardoor je ene tepel trots tegen het katoen van je blouse drukt en de andere niet. Maar geen van dit alles is aan de hand, hij kijkt gewoon naar mij.

Aangezien de wachttijd in het ziekenhuis steeds maar blijft oplopen, gaat het kijkspelletje nog even door. Het zal iedereen bekend voorkomen: iemand kijkt naar je, dat vind je leuk, maar ook spannend dus je kijkt weg. En twee minuten later kijk jij juist naar die persoon en die doet dan weer hetzelfde als jij. Eigenlijk is het te belachelijk voor woorden, maar dit is hoe flirten voor laffe mensen werkt.

Ik krijg dorst dus ik zet koers naar de soda* die tegenover het ziekenhuis ligt om flesjes water te halen. Als ik terugkom zie ik het lange meisje met haar steile haar tegen de schouder van de jongen rusten. Zijn arm ligt losjes over de stoel achter haar. De situatie is nu duidelijk: hij is haar vriend. En terwijl zij slaperig tegen hem aan ligt, kijkt hij hoe ik mijn Fanta met kersensmaakje naar binnen slok. Nu ik op de hoogte ben gebracht van de relationele status van de jonge mensen neem ik me voor om iets minder zijn kant op te kijken. Maar ja, hij kijkt er niet minder om. Voor hem is de situatie niet veranderd. Ik probeer mijn boek te lezen, maar dat is best lastig als je weet dat iemand toekijkt hoe jij je in een andere wereld waant. Dat is hetzelfde als wanneer mensen te dicht in je persoonlijke ruimte komen. De activiteit van het lezen is heel intiem.

Na een korte mondelinge afstemming besluiten de twee meisjes samen weg te gaan. De jongen blijft achter, waarschijnlijk om hun plaatsen bezet te houden. Het aantal plaatsen in de wachtkamer is zoals verwacht dun bezaaid. Vanaf dat moment heeft hij helemaal vrij spel en kruisen onze blikken zich talloze keren. Mijn boek ligt enkel op mijn schoot voor de sier. Als de meisjes weer terugkomen is de wachtruimte inmiddels zo vol dat er naast de jongen nog maar 1 stoel vrij is. Natuurlijk gaat hij staan en staat hij zijn stoel af aan zijn vriendin. Deze gebaart in mijn richting, hij volgt haar gebaar en even voel ik me ongemakkelijk. Maar dan heb ik door dat ze naar de lege stoel naast me wijst. Hij schudt van nee, dat wordt hem toch iets te eng.

De minuten kruipen voorbij en vanuit zijn staande positie kan hij maar moeilijk mijn kant op kijken. In de rij met stoelen waar ik me bevind, komen steeds meer plaatsen vrij. En ik weet niet zo goed wat hem nu wel doet besluiten om naast me te komen zitten, maar hij doet het. Eerst slaat hij een stoel over, maar als hij eenmaal zit, bedenkt hij zich en schuift hij een stoel op, zodat hij naast me zit. Onze knieën raken elkaar bijna. Ik kijk even opzij en zie hoe hij voor zich uit kijkt. Zijn vriendin is druk in gesprek met het andere meisje. En even voelt het alsof we daar met zijn tweeën zitten zonder al die manke mensen om ons heen. We spreken honderduit over onze levens en dromen en we lachen onze beste lach waarbij het wit van onze tanden weerkaatst in het zwarte van onze ogen. In werkelijkheid pulk ik aan het sap van een insectenbeet op mijn been dat is hard geworden en zit ik me heel bewust te zijn van zijn aanwezigheid naast me. Waar we allebei twee uur eerder onderuitgezakt op de stoelen hingen, zitten we nu kaarsrecht naast elkaar met onze ogen de ruimte in de staren terwijl we met onze huid elkaar aankijken.

En dan is het wachten voorbij. We kunnen gaan. Ik pak vlug mijn spullen bij elkaar, keer per ongeluk expres mijn billen naar hem toe. Kijk nog een keer om en zeg hem en de rest van de wachtenden om mij heen gedag.

We besluiten voor we terugrijden naar het hotel nog even een lunch te hebben in de soda tegenover het ziekenhuis. Zo’n soda beginnen tegenover een ziekenhuis met 80 wachtenden die daar de hele dag zitten is een gat in de markt. Ik heb trek gekregen van al dat wachten en schrok, zoals gewoonlijk, de kip, rijst en bonen als een dijkwerker naar binnen. Op het televisiescherm dat in de soda hangt, wordt een kinderprogramma vertoont waarin volwassenen gekke pakjes dragen. Als ik mijn laatste boon naar binnen schuif, zie ik hem aan komen lopen vanuit het ziekenhuis. Handen nonchalant in de zakken. Hij komt de soda binnen en gaat aan het tafeltje direct achter ons zitten met zijn gezicht naar mij toe. Ik ben me opeens heel bewust van mezelf. Kijk op mijn telefoon, die geen bereik heeft, doe mijn haar los en dan weer vast en ik staar naar het televisiescherm. Ik lach om wat ik zie, maar niet kan begrijpen. Hij kijkt niet naar de tv, hij kijkt naar mij. Dan is tijd om te gaan. Een gevoel van paniek overspoelt me ‘het is nu of nooit’, ik wil iets zeggen. Op dat moment krijgt de jongen zijn eten voorgeschoteld en het zou zo mooi zijn als ik zou zeggen ‘que aproveche’. Ik sta op, bereid mijn stembanden voor op deze Spaanse verwensing, slinger mijn rugzak om mijn schouder, loop langs zijn tafeltje en ik open mijn mond, maar meer dan een brede glimlach komt er niet uit. Hij kijkt me aan met zijn kalme ogen en ook zijn lippen komen van elkaar om me een verlegen, maar lieve lach te geven. Ik besef, dat het na vier uur heen en weer gestaar, de eerste keer is dat ik zijn tanden zie.

 

*Eethuisje waar men tegen een lage prijs een lokale maaltijd kan nuttigen. Meestal rijst met bonen.

2 comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s