Patrick

Januari 2005

Het was glad in Amsterdam. De straatstenen glommen in het maanlicht als kerstballen in een verlichte boom. Anneke en ik deelden een fiets. Zij fietste altijd, zo gold de afspraak die we nooit officieel gemaakt hadden. De weegschaal had deze taakverdeling bepaald: Anneke woog minstens 10 kilo meer dan ik, dus het was logisch dat ik de minder zware bagage was om te dragen. Bij iedere brug sprong ik van de bagagedrager, zodat Anneke de klim kon inzetten. Daarna rende ik voorzichtig, met kleine pasjes op mijn hoge hakken achter de fiets aan om met samengeknepen billen weer op het koude staal te huppen.

We waren onderweg naar The Grand, op uitnodiging van Vincent, die ik een week eerder tijdens het uitgaan had leren kennen. Ik woonde net een jaar in Amsterdam en had nog nooit van The Grand gehoord. Ik nam, gezien de geschiedenis met Vincent, aan dat het een club was. In ieder geval had hij mijn vraag of er gedanst kon worden met ja beantwoord.

Vincent had ons via sms uitgelegd hoe we er moesten komen en bij welk nummer we moesten aanbellen. Anneke zette de fiets tegen een dikke boom langs de gracht. Terwijl ze worstelde met het hangslot bekeek ik de grachtenpanden. Iets waar weinig Amsterdammers doorgaans de moeite voor nemen. Als ze dan het statige silhouet van de Herengracht in toeristenbladen zien, realiseren ze zich pas hoe mooi hun stad eigenlijk is. “We zouden eens een dagje toerist moeten spelen in eigen stad,” denken ze dan.

We begaven ons via een deftige trap naar een zware, houten deur die werd opengetrokken voordat we konden aanbellen. Drie mannen verschenen breed lachend in de deuropening, wat nogmaals benadrukte hoe imposant die deur was.
“Welkom!” riep Vincent ons toe.
“Dit is Raymond,” Raymond knikte hierbij trots, “en dit is Patrick,” waarop beide ons op formele wijze de hand schudden. Patrick, die me ergens bekend voorkwam, nam het woord:
“Kom binnen, maak het jezelf gemakkelijk, neem wat uit de minibar als je wilt.” Dat en het feit dat ik helemaal geen muziek hoorde, leek niet te stroken met mijn aanname dat The Grand een club was.
“Dit is toch een club?” vroeg ik aan niemand.
“Nee schatje, dit is The Grand, een hotel, ” hij ging ons voor in een marmeren gang en opende de deur naar een kamer, “welkom in mijn paleisje” vervolgde hij.

De hotelkamers uit mijn herinnering deden absoluut geen recht aan deze. Het was een vorstelijk vertrek met een rode vloerbedekking, gouden kroonluchters en meubels bekleed met satijn. De kamer was zo groot als een gemiddelde huiskamer van een eengezinswoning en gaf toegang tot andere vertrekken. Aan een tafel zat een vierde man met een petje op een joint te draaien. Hij groette ons door zijn kin te heffen. We staken ongemakkelijk ons hand op waarna Anneke, Vincent en ik plaatsnamen op de satijnen bank die eigenlijk te klein was voor drie personen. Raymond voegde zich bij de man met de joint, Patrick vertrok naar een van de andere vertrekken en Vincent, die tussen ons in zat, legde een hand op mijn been en keek me aan: “Wat wil je drinken?”

We bestelden twee cola tot grote teleurstelling van alle aanwezigen die benadrukten dat we ook een bacootjes konden krijgen. Ook een haaltje van de joint sloegen we af. We hadden ons verheugd op een avondje dansen niet op bankhangen in een mistige hotelkamer met vier mannen die duidelijk hoopten dat er meer te halen zou vallen dan een dansje. Aangezien het zicht op enige vorm van intimiteit aan het vervagen was, zetten de mannen de televisie aan. Ze zapten naar een muziekkanaal met hiphop en rapmuziek en begonnen te mee te rappen op een manier zoals kleuters voor de zoveelste keer het “goedemorgen” lied op school zingen. We keken toe, forceerden een geamuseerde blik en praatten met Vincent over onze studies. Voor mij voelde dit hele bezoek als een verplichting. Alsof ik bij mijn oma op bezoek moest als tiener terwijl ik eigenlijk Commander Keen wilde spelen.

Een vrouw, met een handdoek om haar blote lijf, kwam vanuit het vertrek waar Patrick zich ophield de kamer in. Toen ik nog op paardrijden zat, moest ik na de laatste les op vrijdagavond het paard naar stal brengen. Ik ontdeed het paard, dat 3 uur lang bereden was, van zijn tuig en ik zette het dampend van het zweet op stal waarna ik het droogwreef met stro. Deze vrouw zag er bereden uit. Ze was ouder dan ons, een halfbloedje, misschien half Indonesisch half Nederlands. Ze glimlachte en pakte twee miniflesjes Jack Daniels uit de minibar. Daarna verdween ze de kamer weer in. Dat was het moment waarop ik me realiseerde dat ik weg wilde. Vincent was vriendelijk, maar de setting voelde onaardig. Terwijl Vincent nog iets uit de minibar pakte, keek ik Anneke aan en gebaarde ik naar de deur. Ze knikte.
“Willen jullie nog wat drinken?” vroeg Vincent.
“Nee, ik denk dat we zo maar weer eens gaan,” zei ik.
“Ach, kom op,” Vincent keek oprecht beteuterd, “nog een drankje…” Ik keek naar Anneke, die haar schouders ophaalde.
“Okay dan, doe nog maar twee cola.” Vincent lachte: “Brave meisjes hoor,” zei hij en gaf ons de colaatjes.

Vincent was danser en had onder andere getoerd met Justin Timberlake. We ontspanden terwijl we luisterden naar zijn toeravonturen toen opeens Patrick op de armleuning van de bank zat, in zijn boxershort.
“Hoe gaat het hier?” vroeg hij.
“De dames willen weg,” was het eerste wat Vincent zei. Het voelde alsof hij ons verklikte.
“Waarom dan?” vroeg Patrick.
“We moeten zo nog werken, bij Hotel Arena,” zei ik.
“Hoe lang duurt dat?”
“Dat is om 3:00 klaar,” antwoordde ik. Patrick legde zijn hand op mijn been en keek me doordringend aan.
“Dan komen jullie daarna toch weer hierheen? Je kunt hier blijven slapen en ontbijten. ” Hij gaf een kneepje in mijn dij als een vieze oom, stond op en liep terug naar de kamer met het halfbloedje. Patrick voelde zich heel wat, zo leek het. Het stond me tegen.

Ik stond op, nam een laatste slok van mijn cola en kondigde resoluut aan dat we moesten gaan. De inmiddels knetterstonede mannen namen nauwelijks notie van mijn aankondiging en Vincent hielp ons in onze jassen.
Terwijl Anneke voorop de ruimte uitliep, pakte Vincent mijn hand.
“Kom straks terug, ik wil je.”
“Nee, ik ga werken en dan naar huis. Ik ben moe en heb morgen een drukke dag.”
“Je kunt hier slapen, je hoorde Patrick toch? Hij regelt alles wel.” fluisterde Vincent.
“Wie is die Patrick dat hij dit allemaal kan betalen?”
“Je hebt hem toch wel herkend?”
Mijn gedachten gingen terug naar de man in zijn boxershort op de bankleuning. Een knappe man, getinte huidskleur, lange zwarte krullen een fijne glimlach en een vetrandje dat over de rand van zijn boxershort piepte. Met een paar kilootjes meer en zonder oranje shirt had ik hem inderdaad niet herkend, maar met de voornaam bekend, hoefde ik alleen maar Kluivert als achternaam erbij te bedenken.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s